woensdag

De vrouw in de Bijbel

De Bijbel een heeft bij veel mensen een slechte reputatie als het gaat om vrouwen. Meestal neemt de vrouw  een ondergeschikte positie in en dat is iets wat in deze tijd echt niet kan. Is dat eigenlijk wel zo of is dat dan wel de bedoeling of is dat de tijd, waarin de meeste bijbelboeken geschreven zijn? Er staat namelijk ook een hoofdstuk in de Bijbel, dat een heel positief beeld van de vrouw schetst. En als je dit hoofdstuk zou lezen zonder te weten dat het uit de Bijbel komt, zou je dat echt niet geloven.  Dat is Spreuken 31. 

De vrouw in Spreuken 31


In Spreuken 31 gaat het over de deugdzame vrouw. Het woord deugdzaam zegt ons weinig en is een ouderwets Nederlands woord. De vertaling van het oorspronkelijke Hebreeuwse woord is verrassend: het betekent kracht, macht, efficiënt, rijkdom en leger. Deze woorden worden in de kerken absoluut niet in verband gebracht als men het heeft over vrouwen, maar zijn eerder woorden die betrekking hebben op een man.
 Hier volgt Spreuken 31: Loflied op de sterke vrouw
10 Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?
Zij is meer waard dan edelstenen.
11 Haar man vertrouwt op haar
en zal daar rijkelijk bij winnen.
12 Ze brengt hem voorspoed, geen ellende,
alle dagen van haar leven.
13 Ze zoekt wol en linnen uit,
en spint en weeft met vreugde.
14 Zoals een koopmansschip naar verre streken vaart,
zo haalt zij van verre wat ze nodig heeft.
15 Ze staat al op als het nog donker is,
regelt het werk in huis, draagt haar slavinnen taken op.
16 Als zij haar zinnen op een akker zet, koopt ze hem,
van wat ze heeft verdiend, plant ze een wijngaard.
17 Zij is vol daadkracht,
onvermoeibaar is ze in de weer.
18 Handeldrijven gaat haar heel goed af,
’s nachts gaat haar lamp niet uit.
19 Haar handen zijn voortdurend aan het spinrok,
ze houdt altijd de weefspoel vast.
20 Haar handen strekt zij uit naar de behoeftigen,
ze geeft de armen hulp.
21 Niemand in haar huis hoeft sneeuw te vrezen,
zij heeft hen allen warm gekleed.
22 Ze maakt de mooiste dekens,
ze gaat gekleed in linnen en purperen wol.
23 Haar man geniet bekendheid in de stad,
hij vergadert met de oudsten in de poort.
24 Zij vervaardigt kleding en gordels,
en levert die aan kooplui.
25 Uit haar verschijning spreken kracht en waardigheid,
de dag van morgen ziet ze lachend tegemoet.
26 Ze spreekt wijze woorden,
wat ze zegt, zijn liefdevolle lessen.
27 Ze waakt over haar huishouding,
nietsdoen is haar onbekend.
28 Haar kinderen prijzen haar,
haar man bejubelt haar:
29 ‘Er zijn veel sterke vrouwen,
maar jij overtreft ze allemaal.’

30 Charme is bedrieglijk en schoonheid vergaat,
maar een vrouw met ontzag voor de HEER moet worden geprezen.
31 Moge zij de vruchten plukken van haar werk,
mogen haar daden worden geprezen in de poorten.

Een vrouw naar Gods hart


Wat je ziet als je dit bijbelgedeelte leest is een vrouw, die actief is, de leiding neemt, koopt en verkoopt, creatief is en haar man ondersteunt in zijn werk. Absoluut geen onderdanig type, wiens enige recht het aanrecht is. Hoe doet ze dat?
  • Ze is bevoegd om te handelen, beslissingen te nemen en heeft zelfs de leiding. Ze is absoluut niet het type slachtoffer of huissloofje.  Als je dit leest is ze een gehuwde vrouw, maar ze zou ook single kunnen zijn. Haar omstandigheden hebben geen invloed op haar keuzes. Onder christenvrouwen hoor je vaak de klacht: Ik zou graag dit of dat doen, maar mijn man...en dan volgen een aantal redenen, waaruit blijkt dat er redenen genoeg zijn om alleen maar: de vrouw van.... te mogen zijn. En verder dus geen enkele invloed te hebben op het leven van hem.  In dit bijbelgedeelte gaat het niet over het inkomen van de man, er wordt geen melding gemaakt van het uiterlijk van de vrouw of  van haar achtergrond. Ze wordt gewaardeerd om wie ze is.
  • Ze verrijkt het leven van de ander. In vers 11 en 12 staat: Haar man vertrouwt op haar, en zal daar rijkelijk bij winnen. Ze brengt hem voorspoed, geen ellende, alle dagen van haar leven. Ze is dus in staat hem als man succesvol te maken door echt achter hem te staan. Dat is dus wel heel wat meer dan alleen maar: de vrouw van hem. Het lijkt er in dit gedeelte zelfs op dat hij deze hoge functie had, -- in de poorten leidden de mannen de stad en werd er recht gesproken -- omdat zijn vrouw thuis alles zo goed op orde had en een heel bedrijf leidde.
  • Ze staat onder Gods leiding. In Spreuken 31 bereikt de vrouw veel door Gods kracht. Voor mij is ze een bijzondere vrouw, om na te volgen. Ze had werknemers, ze plande haar agenda om geen tijd te verknoeien, ze was bevoegd in onroerend goed, ze vond haar gezondheid en dat van haar familieleden belangrijk, ze lette op de koopjes als ze winkelde, ze was creatief, had geen burn-out, ze vreesde God en daarom was ze in staat veel voor anderen te betekenen en was ze niet bang voor de toekomst. 

vrijdag

God heeft het laatste woord


Niet uit het oosten, niet uit het westen,
niet uit de woestijn komt verheffing,
het is God die rechtspreekt

Dit is een gedeelte uit Psalm 75 die ik vanmorgen las. In deze psalm waarschuwt God de mens om niet zo hooghartig te zijn en te doen alsof de mens alles zelf voor het zeggen heeft. Veel mensen die aan de macht zijn leven zonder God en als ze over Hem spreken dan doen ze dat op een manier alsof hij niet bestaat. Ze gaan hun eigen gang, maken wetten die vernietigend zijn voor de bevolking en houden geen rekening met Hem. Ook moest ik denken aan de enorme onrust in de wereld die best beangstigend is; de onrust in het Midden-Oosten en de reactie van het westen hierop. We doen vaak alsof we alles in de hand hebben en of we bepalen wie goed is en wie slecht. Dat dit een misrekening is blijkt wel als je de Bijbel leest; het is God die het laatste woord heeft. 

Dit stukje uit Psalm 75 is duidelijk, ik vind het ook wel een belofte. Als ik het vrij vertaal dan staat er: niet de landen in het Oosten hebben het voor het zeggen; ook Europa heeft het niet voor het zeggen en zelfs de landen waar de olie zit hebben niet het laatste woord, maar het is God die recht spreekt.
Het geeft me rust voor de toekomst, God houdt alles in de hand, ook de geschiedenis. Hij heeft het voor het zeggen.

zaterdag

Vogels en gist



Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. 
Dit is een vers uit Mattheüs 13, waar Jezus een gelijkenis vertelt aan de mensen. De gelijkenis gaat over het koninkrijk der hemelen. Later legt Hij het verhaal uit aan de discipelen. Hij zegt dan over de vogels die het zaad dat op de weg terecht is gekomen, opeten: 19 bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt hij die het kwaad zelf is en rooft wat hun in het hart is gezaaid; bij hen is op de weg gezaaid. 
De vogels worden dus het kwaad zelf genoemd, of in een andere vertaling: de boze.


Even later volgt een andere gelijkenis over het koninkrijk der hemelen: die is als een mosterdzaadje, een heel klein zaadje maar:
32 Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een struik, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’


Daar heb je die vogels weer, ze komen nestelen in de takken. Om consequent te blijven, gaat het hier dan ook over de boze, die zich gaat nestelen in het koninkrijk der hemelen. Als vogels zich gaan nestelen voelen ze zich thuis en zijn ze zeker niet van plan om weg te gaan. 
Dan is dit een negatieve gelijkenis, ook al proberen veel uitleggers hier iets positiefs van te maken. Ik heb verschillende sites bekeken met uitleg hierover. 
In deze gelijkenis is dan m.i. sprake van infiltratie van de boze in het koninkrijk der hemelen. Dat verbaast me niet, want daar staat de Bijbel vol van. 


Zuurdesem


Dan volgt de gelijkenis van de vrouw en het zuurdesem: 33 Hij vertelde hun een andere gelijkenis: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel doordesemd was.’  
Ook deze gelijkenis wordt vaak positief uitgelegd, alsof het koninkrijk zich overal doorheen een weg zal banen. Maar als je verder kijkt wat er in andere bijbelgedeelten bedoeld wordt met zuurdesem dan is dat altijd: het slechte. Het is iets dat je weg moet doen uit je leven. De Joden moesten met Pasen ongezuurde broden eten bij het offerlam:  Op de veertiende dag van de eerste maand wordt ter ere van de HEER het pesachoffer bereid, in de avondschemer. En op de vijftiende dag van die maand begint ter ere van de HEER het feest van het Ongedesemde brood: zeven dagen lang moeten jullie dan ongedesemd brood eten.


In de brief aan de Korinthiërs haalt Paulus dit aan in verband met zonde in de gemeente en laat zien dat zuurdesem een teken van bederf en het kwaad is: U hebt geen enkele reden om zo zelfvoldaan te zijn. Weet u niet dat al een beetje desem het hele deeg zuur maakt? Doe de oude desem weg en wees als nieuw deeg. U bent immers als ongedesemd brood omdat ons pesachlam, Christus, is geslacht. Laten we daarom het feest niet vieren met de oude desem van kwaad en ontucht, maar met het ongedesemde brood van reinheid en waarheid.


De gelijkenis van het zuurdesem in het brood is dan ook negatief bedoeld, meer als waarschuwing misschien. Het is de bedoeling dat je God blijft volgen en Zijn waarheid. In de brief aan de Galaten gebruikt Paulus hierover ook het voorbeeld van bederf:  Bedenk goed: Al een beetje desem maakt het hele deeg zuur.