zaterdag

Vogels en gist



Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. 
Dit is een vers uit Mattheüs 13, waar Jezus een gelijkenis vertelt aan de mensen. De gelijkenis gaat over het koninkrijk der hemelen. Later legt Hij het verhaal uit aan de discipelen. Hij zegt dan over de vogels die het zaad dat op de weg terecht is gekomen, opeten: 19 bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt hij die het kwaad zelf is en rooft wat hun in het hart is gezaaid; bij hen is op de weg gezaaid. 
De vogels worden dus het kwaad zelf genoemd, of in een andere vertaling: de boze.


Even later volgt een andere gelijkenis over het koninkrijk der hemelen: die is als een mosterdzaadje, een heel klein zaadje maar:
32 Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een struik, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’


Daar heb je die vogels weer, ze komen nestelen in de takken. Om consequent te blijven, gaat het hier dan ook over de boze, die zich gaat nestelen in het koninkrijk der hemelen. Als vogels zich gaan nestelen voelen ze zich thuis en zijn ze zeker niet van plan om weg te gaan. 
Dan is dit een negatieve gelijkenis, ook al proberen veel uitleggers hier iets positiefs van te maken. Ik heb verschillende sites bekeken met uitleg hierover. 
In deze gelijkenis is dan m.i. sprake van infiltratie van de boze in het koninkrijk der hemelen. Dat verbaast me niet, want daar staat de Bijbel vol van. 


Zuurdesem


Dan volgt de gelijkenis van de vrouw en het zuurdesem: 33 Hij vertelde hun een andere gelijkenis: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel doordesemd was.’  
Ook deze gelijkenis wordt vaak positief uitgelegd, alsof het koninkrijk zich overal doorheen een weg zal banen. Maar als je verder kijkt wat er in andere bijbelgedeelten bedoeld wordt met zuurdesem dan is dat altijd: het slechte. Het is iets dat je weg moet doen uit je leven. De Joden moesten met Pasen ongezuurde broden eten bij het offerlam:  Op de veertiende dag van de eerste maand wordt ter ere van de HEER het pesachoffer bereid, in de avondschemer. En op de vijftiende dag van die maand begint ter ere van de HEER het feest van het Ongedesemde brood: zeven dagen lang moeten jullie dan ongedesemd brood eten.


In de brief aan de Korinthiërs haalt Paulus dit aan in verband met zonde in de gemeente en laat zien dat zuurdesem een teken van bederf en het kwaad is: U hebt geen enkele reden om zo zelfvoldaan te zijn. Weet u niet dat al een beetje desem het hele deeg zuur maakt? Doe de oude desem weg en wees als nieuw deeg. U bent immers als ongedesemd brood omdat ons pesachlam, Christus, is geslacht. Laten we daarom het feest niet vieren met de oude desem van kwaad en ontucht, maar met het ongedesemde brood van reinheid en waarheid.


De gelijkenis van het zuurdesem in het brood is dan ook negatief bedoeld, meer als waarschuwing misschien. Het is de bedoeling dat je God blijft volgen en Zijn waarheid. In de brief aan de Galaten gebruikt Paulus hierover ook het voorbeeld van bederf:  Bedenk goed: Al een beetje desem maakt het hele deeg zuur. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten