vrijdag

Wie is die God?


Als Mozes en Aäron door God naar de Farao in Egypte gestuurd worden, krijgen ze te maken met boosheid, onbegrip en ongeloof. De Farao heeft het volk Israël in zijn macht en is niet van plan het volk te laten gaan. En laat zich ook niet gezeggen door de God van dit volk. Hij ontkent het bestaan van God niet, maar zegt: Wie is die Heer, dat ik Hem zou gehoorzamen? ...ik ken de Heer niet!  (Exodus 5 vers 2) Denk je echt dat jullie God in staat is om mij te laten gehoorzamen?
Ik zie en hoor het overal om me heen, niet eens de ontkenning van Zijn bestaan, maar de ontkenning van wie God de Heer is en men zegt dan: Hij is niet in staat om mij te laten doen wat Hij wil. Ik doe wat ik zelf wil.
Er komt een tijd dat ook de grootste ontkenner en tegenstander zijn knieën zal buigen voor God en zal erkennen dat Hij Heer is.

11 Want er staat geschreven:
(Zo waarachtig als) Ik leef, spreekt de Here: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven. (Romeinen 14 vers 11)

10 opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader! (Filippenzen 2 vers 10, 11)

23 Want Ik heb gezworen bij Mij zelf, waarheid is uit mijn mond uitgegaan, een woord dat niet zal worden herroepen: dat voor Mij elke knie zich zal buigen, dat bij Mij elke tong zal zweren. (Jesaja 45 vers 23)

Gods geschenk; redding en geloof



iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren – om hem, de levende en ware God, te dienen 10 en om zijn Zoon te verwachten uit de hemel: Jezus, die hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van het komende oordeel. 1 Thessalonicenzen 1
Op de Website Staat Geschreven wordt het volgende geschreven over deze tekst: Dan lees ik de tekst nog een keer en dan haal ik daar vier kernwoorden uit: gastvrijheid, trouw, dienstbaarheid en hoop. Als een gemeente daarin uitblinkt en niet alleen naar binnen, naar de eigen leden, maar vooral naar buiten gaat, dan wordt daarover gepraat. Dat kan niet anders. 
Het trof me, want dit is nu net waar ik zo vaak over denk en wat ik steeds terug vind als ik de bijbel lees. En zijn dit nu niet net de eigenschappen van God: gastvrij, trouw, dienstbaar en hoopgevend? En is dat het niet waar het in de bijbel steeds weer om gaat?
Hoe werkt dat dan en waarom voelt het zo moeilijk? Is het omdat ik liever iets voor mezelf doe dan voor God, moet ik er meer bij nadenken of juist helemaal niet?


In Efeze 2 staat:  Door zijn genade bent u nu immers gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van uw daden, dus niemand kan zich erop laten voorstaan. 10 Want hij heeft ons gemaakt tot wat wij nu zijn: in Christus Jezus geschapen om de weg te gaan van de goede daden die God heeft voorbereid.


Alles is genade, als ik het zo lees, zelfs het geloof is een geschenk van God. Het geloof is dus niet de reden dat ik ben gered. Zowel de redding als het geloof komen van God. Dat is mooi, dan hoef ik dus niet keihard m'n best te doen de redding te bewerkstelligen of om het God naar de zin te maken. Ik kan dat niet eens. 
En die goede daden dan? Dan moet dat ook van God komen. 
Ik hoef dus geen goede werken voor God te doen, maar het gaat erom dat Gods werk in mij zichtbaar wordt. Dat God zichtbaar wordt in mijn leven. God kan iets moois van mijn leven maken tot eer van Hem. Dat is een opluchting en geeft rust. 

13 want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.  Filippenzen 2

dinsdag

Mauro, vreemdeling in Nederland?


Mauro is tegen wil en dank het symbool geworden van jonge asielzoekers die als kind door hun familie op het vliegtuig zijn gezet naar Nederland. In de hoop op een beter leven voor hun kind. In ieder geval in zeker weten dat Nederland gebonden is aan de afspraak om kinderen onder de 18 te verzorgen.
De ouders hebben er waarschijnlijk niet bij stil gestaan wat dit afstand doen voor hun kind betekende: eenzaamheid, angst, zich afgedankt voelen en in de steek gelaten weten. 
 Nu hij 18 is wordt hij ineens als volwassen vluchteling behandeld en moet hij het land verlaten. Hij kent zijn moedertaal niet meer, is vervreemd van zijn familie of volksgenoten en helemaal Nederlands geworden. Nu is politiek niet mijn ding, maar ik trek me zijn lot wel aan. Vraag me dan ook af wat de Bijbel over deze dingen zegt: hoe ga je om met vreemdelingen, hoe behandel je hen en is het goed om voor hem in de bres te staan of hoeft zijn lot ons niet te interesseren?

In mijn zoektocht door de Bijbel kwam ik verschillende dingen tegen, heel bijzondere dingen. Israël kreeg zelfs verschillende wetten over hoe ze met de vreemdelingen in hun land om moesten gaan.

* Vreemdelingen moesten goed behandeld worden, net zo als je eigen broeder, geen onderscheid: Leviticus 19 34 Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft; gij zult hem liefhebben als uzelf, want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte: Ik ben de HERE, uw God.

* Ook de Sabbath (dag van rust) was er voor de vreemdeling: Deuteronomium 5 14 maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, noch uw ezel, noch uw overige vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont, opdat uw dienstknecht en uw dienstmaagd rusten zoals gij; 

.* Men moest rekening houden met de gemoedstoestand van de vreemdeling: Exodus 22 21 Een vreemdeling zult gij niet onderdrukken, noch hem benauwen, want gij zijt vreemdelingen geweest in het land Egypte. 
Exodus 23 De vreemdeling zult gij niet benauwen, want gij kent de gemoedsgesteldheid van de vreemdeling, omdat gij vreemdelingen zijt geweest in het land Egypte

* Men moest zorgen dat de vreemdeling te eten kreeg: Leviticus 23 22 Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, dan zult gij de rand van uw veld bij uw oogst niet geheel afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, zult gij niet oplezen; dat zult gij voor de arme en de vreemdeling laten liggen: Ik ben de HERE, uw God.

* Dezelfde rechten golden voor eigen volk en de vreemdeling: Exodus 12 49 Eénzelfde wet zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft.
Leviticus 24 22 Enerlei recht zult gij hebben; de vreemdeling zij gelijk de geboren Israëliet, want Ik ben de HERE, uw God.
Numeri 15 15 wat de gemeente betreft, éénzelfde inzetting zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft; een altoosdurende inzetting zal het zijn voor uw geslachten: gij en de vreemdeling zullen voor de HERE gelijk zijn.

In het evangelie naar Mattheüs, waar Jezus het oordeel over de volken beschrijft, wordt er gekeken naar de landen hoe ze met de medemens omgaan, wees, weduwe EN vreemdeling: Mattheüs 25  35 Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, 36 naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen.

Hoe moeten we met deze jongen (en vele anderen) omgaan? Hoe kijk ik naar hem? Hoe kijkt Jezus naar hem? Als ik de genoemde teksten lees en zie hoe zorgvuldig God met mensen omgaat dat Hij zelfs wetten heeft gegeven aan Israël zodat de vreemdeling bescherming zou genieten en dezelfde rechten zou hebben als Zijn volk, dan zie ik dat het hier heel anders gaat.